|
De doorbraak Alle grote doorbraken in de telefonie zijn niet, zoals vaak gedacht wordt, het resultaat geweest van technologische ontwikkelingen, maar berustten op toeval of werden gedicteerd door de praktijk van alledag. Dat begon al met Graham Bell: hij kreeg een budget voor het doorontwikkelen van de telegraaf voor een betere benutting van de bestaande bandbreedte (de muzikale telegraaf ) maar ontdekte en-passant dat je niet alleen tonen, maar ook de menselijke stem over koperdraad kon versturen. De uitvinding van de draaischijf en daarmee de komst van de onbemande telefooncentrale werd door de begrafenisondernemer Strowger gedaan, omdat hij ontdekte dat de plaatselijke telefoniste alle uitvaarttelefoontjes naar een concurrent doorsluisde. Hetzelfde gebeurde in feite rond het ontstaan van de moderne mobiele telefonie. De communicatie met een mobiele telefoon vindt altijd plaats via een radioverbinding met een basisstation. Wanneer de mobiele telefoon wordt aangezet, zendt hij een herkenningssignaal uit naar zijn basisstation zodat dit station weet waar de mobiele telefoon zich bevindt, om eventuele gesprekken voor deze abonnee door te kunnen geven. Iedere mobiele telefoon gebruikt bij de communicatie met zijn basisstation een bepaalde frequentie. Omdat het aantal frequenties beperkt is, blijft daarmee het maximum aantal mobiele abonnees ook beperkt tot enkele duizenden.
 Bell Laberotories, Crawford Hill NJ, waar de meeste vindingen op het terrein van de telefonie werden gedaan.
De oplossing voor dit probleem kwam in 1947 uit de beroemde Bell Laberatories in Crawford Hill, New Jersey. Daar kwam iemand op het idee om de geografische gebieden op te delen in kleinere eenheden: de zogenaamde cellen. Elk van die cellen kreeg vervolgens de beschikking over een eigen basisstation. Daarmee werd het meervoudig gebruik van het beperkte aantal aan AT&T toegewezen frequenties mogelijk. Op basis van kansberekening werd vervolgens vastgesteld hoeveel mobiele telefoons tegelijkertijd binnen de cel in kwestie in gebruik konden zijn zonder elkaar te storen.

Een voorbeeld van de opbouw van een mobiel cellulair netwerk: in de stad (rood) zijn de cellen klein, soms maar een paar honderd meter in doorsnee. Naar mate men verder uit de stad gaat, worden de cellen groter (groen en cyaan blauw). Op het platteland kunnen ze soms wel een doorsnee hebben van 10 kilometer (geel).
De politiek als remmende factor Bell Laboratories paste de nieuwe vinding in 1947 voor het eerst toe ten behoeve van het Amerikaanse politienetwerk, een opdracht die ze hadden verworven in competitie met Motorola. De R&D mensen zagen dit op cellulaire technologie gebaseerde politienetwerk als een eerste stap in de richting van een publiek, mobiel telefoonnetwerk. AT&T diende daarom nog in datzelfde jaar een verzoek in bij de FCC (Federal Communications Commission) om een groot aantal radio frequenties te reserveren voor mobiele telefonie. Dit politieke lichaam besloot in echter om het aantal frequenties voor mobiele telefonie te beperken tot maximaal 23 gelijktijdige telefoongesprekken per cel. Daarmee behoorde een publiek mobiel telefoonnetwerk voorlopig tot de onmogelijkheden: de investeringen in basisstations voor dusdanig kleine cellen zouden nooit terugverdiend kunnen worden. Het zou uiteindelijk twintig jaar duren voordat de FCC op die beslissing terugkwam. Pas in 1968 verklaarde deze commissie zich uiteindelijk bereid om het aantal frequenties te verhogen.
Het eerste mobiele telefoongesprek
 Het eerste mobiele telefoongesprek vanaf een draagbaar toestel werd in april 1973 gevoerd door Dr. Cooper (Motorola) met zijn concurrent Joel Engel van AT&T.
De strijd om de eerste mobiele, draagbare telefoon (dus niet ingebouwd in een auto als autotelefoon) ging beginjaren zeventig nog steeds tussen de aartsrivalen AT&T en Motorola. De strijd werd uiteindelijk beslist in het voordeel van de laatste. Dr. Martin Cooper, tot kort voor dat tijdstip verantwoordelijk voor de systeem afdeling van Motorola, belde in april 1973 voor het eerst met een draagbare mobiele telefoon naar het hoofd R&D van concurrent Bell Laboratories, Joel Engel, met de historische woorden: ‘Hi, Joel, guess where I’m calling from?’ Motorola mocht dan de eerste slag gewonnen hebben, het werd AT&T dat in 1977 het eerste publieke mobiele netwerk opzette in Chicago. Meer dan 2000 testabonnees maakten gebruik van dit netwerk. Motorola kwam samen met American Radio Telephone vier jaar later met een vergelijkbaar test netwerk uit in Washington en Baltimore. In 1982 gaf de FCC groen licht voor de bouw van mobiele netwerken binnen de Verenigde Staten. Op dat moment was het eerste landelijke mobiele netwerk echter al een feit. In Saoedi Arabië en gebouwd door … het Europese Ericsson.
 Het eerste landelijke mobiele netwerk werd in 1981 geleverd door het Zweedse Ericsson. Rechts een van de basisstations van dit netwerk.
Volgende aflevering: Mijn GSM |