|
Radio telefonie Aan de grondlegger van het Zweedse Ericsson, Magnus Ericsson, komt de eer toe de eerste gebruiker van een autotelefoon te zijn geweest. Toen hij in 1900 met pensioen ging, keerde hij terug naar het boerenleven en kocht een kapitale boerderij onder de rook van Stockholm. Dit weerhield hem er overigens niet van om verder te gaan met uitvinden. Zo ook in 1912, toen hij met zijn vrouw het land verkende per auto. Om toch in contact te blijven met het thuisfront, vond hij de autotelefoon uit. In de hedendaagse telecom termen ging het om een clandestiene telefooncel. Het werkte als volgt: Ericsson stopte bij een telefoonpaal, zijn vrouw had twee lange stokken, een soort van vishengels, verbonden met een telefoonkabel. Met de ‘hengels’gooide ze de draad over de hoog hangende telefoonlijnen en zocht een lijn die ‘vrij’was. Vervolgens draaide Lars Magnus aan de slinger van zijn telefoon en kreeg zo verbinding met de dichtstbijzijnde telefooncentrale. Voor de geschiedenis van de mobiele telefoon was deze gebeurtenis verder van geen belang. Want het kenmerk van mobiel is nu eenmaal draadloos.De echte voorlopers van de mobiele telefoon moeten dan ook gezocht worden in de radio telegrafie.
Radiotelegrafie in Nederland Hoewel over vrijwel de hele wereld druk gewerkt werd aan de ontwikkeling en vervolmaking van radiotelegrafie, speelt met name Nederland een hoofdrol. Niet zo verwonderlijk: communicatie met het verre Nederlands Indië werd steeds belangrijker, terwijl ook Philips inmiddels was uitgegroeid tot een wereldconcern. Onder Directeur Generaal Damme van het staatsbedrijf PTT werd tijdens de jaren dertig van de vorige eeuw de Nederlandse kennis op het gebied van telecommunicatie steeds beter ontwikkeld. Kroonjuwelen op dat gebied waren de installaties van Radio Kootwijk en de afluisterapparatuur die PTT samen met Philips had ontwikkeld voor o.a. de Nederlandse Marine. Maar ook de door het Radiolaboratorium van PTT ontwikkelde methode waarbij de spraak onverstaanbaar wordt voor een radioluisteraar was een ongekend technisch hoogstandje. Sinds 1931 worden de gesprekken met het toenmalige Nederlands Indië namelijk afgewikkeld via een geheimtelefonie-installatie. Het gesproken woord werd 'omgekeerd'. De hoge tonen worden omgezet in lage tonen en andersom. Aan de ontvangende kant werd de omkering weer ongedaan gemaakt.
 Bandkeeromrichting voor geheimtelefonie
Al deze ontwikkelingen vonden plaats onder de bezielende leiding van de Delftse hoogleraar Klaas Koomans, die zowel in binnen- als buitenland beschouwd werd als een autoriteit op het gebied van radio telegrafie (overigens zou deze zelfde Koomans het slachtoffer worden van zijn eigen naïviteit tijdens de bezetting (meer informatie over Koomans en de Forschungsstelle Langeveld).
Mobiel… Beginjaren dertig begint PTT in navolging van AT&T in de VS te experimenteren met telefoneren via een verplaatsbare radiozender en –ontvanger. De kleinste in de laboratoria ontwikkelde verplaatsbare zender heeft dan overigens nog altijd een antenne van 'slechts' 1 meter lengte nodig.
 De eerste mobiele telefoons: links 1936, de experimentele versie van PTT en rechts de door de NSF in serie geproduceerde mobilofoon.
In 1937 wordt de Nederlandse industrie uitgenodigd om een praktische zend-ontvanger voor de VHF band te ontwerpen. Na proefritten door Den Haag en omgeving krijgt de Nederlandse Seintoestellen Fabriek uit Hilversum de opdracht. Echt draagbaar is deze mobiele telefoon niet: hij wordt in de auto gemonteerd en om een gesprek te voeren met een andere mobilofoon-abonnee of een abonnee van het vaste net, moet de hulp van een telefoniste worden ingeroepen. Toch wordt deze mobilofoon, zoals hij genoemd wordt, een succes. In 1939 worden de eerste apparaten afgeleverd en bij het uitbreken van de oorlog zijn er niet minder dan 150 stuks verkocht aan politie, brandweer, geneeskundige diensten en electriciteitsbedrijven. Ze werden overigens in 1940 stuk voor stuk door de Duitsers in beslag genomen. Ook in Engeland werden deze mobilofoons vanaf 1939 door de politie gebruikt.
 Draagbare mobilofoon bij de Britse politie (1965)
Met de Tweede Wereldoorlog kwam er een voorlopig einde aan deze ontwikkelingen. Alle aandacht ging nu uit naar de doorontwikkeling van effectieve communicatiesystemen voor de oorlogvoering.
Walkie-talkies De jonge Canadees Al Gross (geboren in 1918) was al op jonge leeftijd gebiologeerd door de mogelijkheden die draadloze communicatie moest kunnen bieden. Tijdens zijn studie aan de Case Western Reserve University (Cleveland) richtte hij zich in het bijzonder op de nog ongekende en ongebruikte frequenties van boven de 100 MHz. Het resultaat van zijn onderzoekingen werd de door hem in 1939 gepatenteerde walkie talkie. Het zal geen verwondering wekken dat de Communications Group van de US Office of Strategic Services (OSS) Al Gross binnen de kortste keren contracteerde. Dat leidde in 1941 tot een nieuwe ontdekking, die overigens tot 1976 (!) ‘top secret’ zou blijven. Het ging daarbij om een klein grondstation van nog geen twee kilo, dat gemakkelijk gedragen kon worden door agenten die achter de linies gedropt werden. De ontvanger werd ingebouwd in de neus van een Mosquito bommenwerper. De zender had een bereik van 30 mijl en de radiogolven konden niet ‘opgepikt’ worden door Duitse opsporingsunits.
 Al Gross met daarnaast de door hem uitgevonden walkie talkie (1938)
Na de oorlog startte Gross zijn eigen bedrijf, Citizens Radio Company, dat meer dan 100.000 zender-ontvangers voor persoonlijk gebruik produceerde. Deze zender-ontvangers maakten gebruik van de zogenaamde Citizen Radio Service Frequency-band (in Nederland 27Mc). Gross zou overigens in 1949 nog een belangrijke uitvinding doen in het kader van mobiele communicatie: de pager. Het Jewish Hospital was de eerste die een pagersysteem implementeerde (1950) ondanks de felle tegenstand van met name de chirurgen die vreesden dat dit apparaat patiënten zou laten schrikken, af zou leiden tijdens complexe operaties of – erger nog – de heren zou storen bij een partijtje golf…
De informatie is gebaseerd op oa. de informatie van het Museum voor Communicatie, Zeestraat 80-82, 2518 AD Den Haag, en eigen bronnen. De gebruikte afbeeldingen zijn deels afkomstig uit het archief van het Museum voor Communicatie, Zeestraat 80-82, 2518 AD Den Haag.
Volgende aflevering: De doorbraak: cellular telephony |